Bouwen op vertrouwd advies

Asfaltonderzoek conform CROW 210

In het kader van onderhoud, herprofilering of het opbreken van asfaltwegen dienen stappen te worden genomen om de afvoer/hergebruiksmogelijkeheden van het vrijkomende asfalt te bepalen. Van belang hierbij is de hoeveelheid teer (bindmiddel) in het asfalt, dat door het hoge gehalte aan PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) een gevaar kan opleveren voor de volksgezondheid en het milieu.

Sinds 1991 is het gebruik van teerproducten in wegenbouw verboden en is geen nieuw teer meer in de asfaltketen gebracht. Wel is tot 2001 nog veelvuldig teerhoudend asfalt hergebruikt. Sindsdien geldt dat daar waar teerhoudend asfalt vrijkomt dit dient te worden afgevoerd.

Onderzoek naar de teerhoudendheid van asfalt dient te voldoen aan de CROW-publicatie 210 “Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’. In deze richtlijn staat van historisch vooronderzoek, veldwerk tot en met eindconclusie aangegeven op welke wijze het asfaltonderzoek dient te worden verricht.

Historisch vooronderzoek

In het historisch vooronderzoek wordt getracht te achterhalen wanneer en met welke dikte en samenstelling het asfalt is aangelegd. Hiervoor worden bij de betrokken gemeente o.a. oude bestekken ingezien. Aan de hand van de historische informatie wordt een veldinspectie uitgevoerd waarbij het asfalt wordt opgedeeld in homogene wegvlakken. Op basis van het vooronderzoek wordt een boorplan opgesteld.

Asfaltboringen

Het aantal te verrichten asfaltboringen hangt af van de ouderdom van het te onderzoeken asfalt. Bij een asfaltverharding aangelegd voor 1995 dient een wegvlak < 500 m middels twee boringen te worden onderzocht. Voor een wegvlak > 500 m geldt een minimum van twee boringen plus n per extra 500 m. Zo zijn bij 700 m drie boringen noodzakelijk. In sommige situaties kan met een geringe boorintensiteit worden volstaan (b.v. asfalt aangelegd na 1995, waarbij tot 1.000 m een minimum van twee boringen geldt plus n per extra 1.000 m of bij rijkswegen waarbij n boring per 1.000 m voldoende is).

Boorwerkzaamheden worden altijd uitgevoerd met verkeersmaatregelen volgens de richtlijnen van de CROW (CROW 96a of 96b). De asfaltkernen worden geboord met een diameter van 50-100 mm. Indien de gehele wegconstructie (incl. fundering) in beeld moet worden gebracht zal worden doorgeboord tot 0,5 m in de onderliggende bodem.

Laboratorium onderzoek

In het laboratorium zal van de asfaltkernen een gedetailleerde beschrijving (laagdikte bepaling verhardingslaag volgens RAW proef 152) worden opgesteld. Voorts zal een test met PAK-marker worden uitgevoerd. Bij een “positief” resultaat van de PAK-marker ligt het PAK gehalte boven de 250 mg/kg en is het asfalt daarmee teerhoudend. 

Bij een ‘negatief’ resultaat dienen een aantal PAK-analyses (DLC of HPLC) te worden verricht. Hierbij zal voor het aantal te analyseren kernen worden uitgegaan van de CROW 210; bij verwijderen van 25 tot 100 ton asfalt n analyse, 100 tot 500 ton twee analyses, 500 tot 1.000 ton drie analyses en bij elke ton meer n analyse extra.

Eindconclusie

De uitkomst van de PAK-analyse worden getoetst aan de samenstellingswaarde voor PAK-totaal (75 mg/kg). Asfalt met een teergehalte lager dan de samenstellingswaarde komt in aanmerking voor de asfaltcentrale (warm hergebruik), als verwerking in een halfverharding/wegfundering (ongebonden koud hergebruik) of in een betonnen fundering (gebonden koud hergebruik). Indien het materiaal opnieuw wordt toegepast moet het voldoen aan de wettelijk gestelde eisen van het Bouwstoffenbesluit. Teerhoudend asfalt (gehalte > 75 mg/kg) dient als teerhoudend asfaltgranulaat (TAG) afgevoerd te worden naar een vergunde inrichting voor teerhoudend materiaal.